Categorieën
Arbeidsrecht

Transitievergoeding lager bij naderend pensioen? Nee!

Een zieke werknemer heeft ook recht op een transitievergoeding bij een naderend pensioen, zelfs als de vergoeding daarmee hoger uitvalt dan de financiële schade.

Eind vorig jaar deed de Hoge Raad uitspraak in een zaak over het recht op een transitievergoeding na een periode van langdurige arbeidsongeschiktheid, waarbij de werknemer tegen de pensioengerechtigde leeftijd ‘aan zat’.

De situatie was als volgt: een leerkracht op een basisschool was langdurig arbeidsongeschikt. Eerst gedeeltelijk en later volledig. Na de eerste twee jaar ziekte ontving de werknemer naast zijn gedeeltelijke salaris een uitkering op grond van de WIA die zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid compenseerde. Een half jaar later viel de werknemer alsnog volledig uit en werd deze gedeeltelijke uitkering omgezet in een permanente (en volledige) arbeidsongeschiktheidsuitkering (IVA). De werkgever vraagt vervolgens het UWV om toestemming voor het opzeggen van de arbeidsovereenkomst en krijgt die toestemming ook. Nadat de arbeidsovereenkomst is opgezegd, start de werknemer een procedure omdat hij aanspraak denkt te hebben op een transitievergoeding.

Het doel van de transitievergoeding was oorspronkelijk om werknemers een steuntje in de rug te geven om de transitie te kunnen maken naar een nieuwe dienstbetrekking elders, bijvoorbeeld door het volgen van een omscholingscursus of om een terugval in inkomen op te vangen in de periode van het zoeken naar nieuw werk. In de situatie die hier speelde, zat de betrokken werknemer echter behoorlijk dicht tegen zijn pensioen aan. Dat was reden voor de werkgever om zich op het standpunt te stellen dat een volledige transitievergoeding niet aan de orde kon zijn. Het standpunt van de school was, dat die transitievergoeding gemaximeerd zou moeten worden tot het bedrag van de inkomensderving die de ex-werknemer zou leiden tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd. Meer schade had hij immers niet.

De Kantonrechter ging daar deels in mee en kende een fors lagere transitievergoeding toe dan gevorderd.

Het Hof maakte daar echter korte metten mee met de stelling dat een transitievergoeding een forfaitair bedrag is, berekend op basis van arbeidsverleden, leeftijd, etc. en dat het feit dat de feitelijke schade lager ligt dan de gevorderde transitievergoeding, dat niet verandert.

De Hoge Raad zit op hetzelfde spoor. De Wet Werk en Zekerheid is bedoeld om een dwingendrechtelijke regeling over de transitievergoeding te geven. Daar mag dus niet – onder het mom van de redelijkheid en billijkheid – zomaar van afgeweken worden. De vraag of iemand na beëindiging van een arbeidsovereenkomst werkloos is of dat hij meteen een baan elders vindt, is bijvoorbeeld ook niet relevant voor het toekennen van een transitievergoeding. Het leiden van schade is dus niet relevant. Sterker nog, de wetgever lijkt er met de regeling van de transitievergoeding heel bewust voor te hebben gekozen dat de vergoeding toeneemt naarmate iemand ouder wordt, en dus de pensioengerechtigde leeftijd nadert. Er is geen afbouwregeling opgenomen door de wetgever en de Hoge Raad gaat dat in deze uitspraak ook niet doen.

Weten of u recht heeft op een transitievergoeding? Neem snel contact op!